Stay on track

Stay on track

Moving you forward

Newsletter

Back to overview

Het gewijzigde Vrijstellingsbesluit: wat betekent dit voor u?

Published on 28/05/2026

Op 1 maart 2026 is het gewijzigde Vrijstellingsbesluit in werking getreden. Dit besluit heeft het kader aangepast voor stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is en beoogt in hoofdzaak een verdere vereenvoudiging van de regelgeving.



De hervorming vertrekt vanuit een duidelijke beleidskeuze. De Vlaamse Regering wil het aantal voorafgaande procedures verminderen door meer handelingen rechtstreeks vrij te stellen van vergunnings- of meldingsplicht. Daarbij ligt de nadruk op handelingen met een beperkte ruimtelijke impact en op ingrepen die in de praktijk vaak voorkomen. Dit betekent concreet dat voor een aanzienlijk aantal werken geen voorafgaande beoordeling door de overheid meer nodig is, maar tegelijk dat de initiatiefnemer zelf moet nagaan of alle voorwaarden van de vrijstelling zijn vervuld.

Welke zijn de belangrijkste wijzigingen?

Een eerste belangrijke wijziging betreft de vrijstelling voor handelingen aan gevels en daken van hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen. Het Vrijstellingsbesluit bepaalt dat dergelijke handelingen zonder omgevingsvergunning kunnen worden uitgevoerd, op voorwaarde dat zij het fysieke bouwvolume niet wijzigen en de energieprestatie van het gebouw niet verslechteren. Daarbij is niet langer vereist dat het gaat om werken aan zij- of achtergevels: de vrijstelling geldt voortaan voor alle gevels, inclusief de voorgevel.

Ook binnenin gebouwen is er een versoepeling. Binnenverbouwingen zijn vrijgesteld van vergunning, voor zover zij plaatsvinden in hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen en geen vergunningsplichtige functiewijziging inhouden. Deze vrijstelling geldt voortaan ook wanneer de werken gepaard gaan met stabiliteitswerken. Dit neemt echter niet weg dat andere regelgeving van toepassing blijft. Zo blijft onder meer de verplichting tot aanstelling van een architect bestaan waar dit wettelijk vereist is.

Daarnaast werd het kader voor technische installaties verder verduidelijkt en, op bepaalde punten, uitgebreid. Voor installaties zoals zonnepanelen en zonneboilers geldt een vrijstelling onder de in het Vrijstellingsbesluit bepaalde plaatsingsvoorwaarden. Voor warmtepompen en airco-installaties werd een afzonderlijke regeling uitgewerkt, waarbij de bovengrondse onderdelen onder meer op voldoende afstand van de perceelsgrens moeten worden geplaatst of tegen een bestaande scheidingsconstructie moeten worden ingeplant. Deze voorwaarden zijn onder meer ingegeven door de nood om hinder voor derden te beperken.

Voor landbouwbedrijven en ondernemingen brengt het besluit eveneens versoepelingen met zich mee. Voor een aantal specifiek omschreven vormen van landbouwinfrastructuur, zoals pocketvergisters, voorzieningen voor waterbeheer en bepaalde vormen van wateropslag, wordt onder strikte voorwaarden een vrijstelling van vergunning voorzien. Deze ontwikkelingen sluiten aan bij bredere beleidsdoelstellingen inzake duurzaamheid, klimaat en energie.

Ook in industriegebieden wordt een verruimd vrijstellingsregime ingevoerd. Onder meer bepaalde constructies, verhardingen en gebouwen kunnen zonder vergunning worden opgericht, voor zover zij voldoen aan de in het vrijstellingsbesluit vastgelegde voorwaarden inzake onder meer oppervlakte, hoogte, ligging en functionele relatie met de bestaande bedrijvigheid. Hierdoor kunnen bepaalde aanpassingen efficiënter worden gerealiseerd, zonder voorafgaande vergunningsprocedure.

De vrijstellingen zijn evenwel niet onbegrensd

Hoewel het Vrijstellingsbesluit een duidelijke vereenvoudiging inhoudt, betekent dit niet dat elke vorm van toetsing wegvalt. 

De vrijstelling kan uitsluitend worden ingeroepen voor zover de betrokken handelingen niet strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, noch met de uitdrukkelijke voorwaarden van een bestaande omgevingsvergunning. 

Daarnaast geldt dat de vrijstellingen evenmin toepassing kunnen vinden wanneer de handelingen strijdig zijn met planologische voorschriften, waaronder ruimtelijke uitvoeringsplannen en bijzondere plannen van aanleg, minder dan vijftien jaar oude verkavelingsvergunningen of minder dan vijftien jaar oude omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die niet opgenomen zijn in de gemeentelijke lijst. Verder geldt dat de vrijstellingen niet van toepassing zijn op handelingen waarvoor een milieueffectenrapport, een passende beoordeling of een mobiliteitsstudie vereist is.  
Daarnaast zijn bepaalde zones uitgesloten, zoals beschermingsstroken langs waterlopen en erfdienstbaarheidszones, zodat een vrijstelling daar ook niet kan worden ingeroepen, zelfs indien aan de overige voorwaarden is voldaan. Ten slotte blijft andere toepasselijke regelgeving, zoals inzake onroerend erfgoed, natuurbehoud en archeologie, onverkort gelden. 

Wat met werken die vroeger wederrechtelijk werden uitgevoerd maar vandaag vrijgesteld zijn?

Bijzonder relevant in de praktijk is de vraag wat deze nieuwe regeling betekent voor handelingen die in het verleden zonder vergunning zijn uitgevoerd en destijds vergunningsplichtig waren maar vandaag niet meer. Volgens de klassieke rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt de vergunningsplicht beoordeeld op het ogenblik van de uitvoering van de werken. In die benadering blijft een handeling die destijds vergunningsplichtig was, in principe sanctioneerbaar, zelfs wanneer zij vandaag onder het Vrijstellingsbesluit valt. Deze visie staat op gespannen voet met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof heeft geoordeeld dat ook uitvoeringsbesluiten zoals het Vrijstellingsbesluit deel uitmaken van de strafbaarstelling, aangezien zij bepalen welke handelingen al dan niet vergunningsplichtig zijn. Wanneer een handeling op het ogenblik van de rechterlijke uitspraak niet langer vergunningsplichtig is, kan het opleggen van een strafsanctie in principe een schending van artikel 7 EVRM uitmaken.

Deze rechtspraak kan van betekenis zijn voor de behandeling van lopende handhavingsdossiers. Zij impliceert dat bij elke verruiming van het Vrijstellingsbesluit moet worden nagegaan welke gevolgen dit heeft voor lopende handhavingsdossiers en voor situaties waarin nog geen definitieve rechterlijke beslissing is genomen. In veel gevallen zal een herbeoordeling aangewezen zijn, zeker wanneer de betrokken handelingen vandaag expliciet zijn vrijgesteld. Tegelijk blijft het voorlopig afwachten hoe de Belgische rechtspraak, en in het bijzonder het Hof van Cassatie, deze Europese rechtspraak zal integreren in haar bestaande lijn.

Besluit

Het gewijzigde vrijstellingsbesluit beperkt in belangrijke mate de vergunningsplicht voor een aantal frequent voorkomende handelingen. Tegelijk vereist het een zorgvuldige beoordeling van concrete situaties. Niet alleen moet worden nagegaan of een voorgenomen handeling vandaag onder een vrijstelling valt, maar ook of bestaande situaties, in het licht van de nieuwe regelgeving en de evoluerende rechtspraak, anders moeten worden beoordeeld. Een grondige analyse per dossier blijft daarbij essentieel om risico’s te beheersen en opportuniteiten optimaal te benutten. We staan u graag hierin bij.