Stay on track

Stay on track

Moving you forward

News

Back to overview

Scholingsbeding: strikte voorwaarden

Published on 31/03/2022

Een werkgever laat een werknemer (arbeiderstaak) een externe opleiding genieten, voor een kostprijs van + 1.500 EUR excl. BTW. De werkgever laat de werknemer een schriftelijke overeenkomst ondertekenen, waarin de werknemer zich verbindt om een afnemend gedeelte van de kostprijs terug te betalen aan de werkgever, indien de werknemer de arbeidsovereenkomst beëindigt. De degressieve terugbetalingsverplichting wordt gespreid over een periode van 5 jaren vanaf datum ondertekening van de overeenkomst. De overeenkomst wordt opgesteld en ondertekend nadat de opleiding door de werknemer reeds was gevolgd en succesvol was afgerond. Is deze overeenkomst (men noemt dit een "scholingsbeding") rechtsgeldig en afdwingbaar?


1.

De wet van 03.07.1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt in haar artikel 22 bis wat een scholingsbeding is en welke voorwaarden gelden voor de rechtsgeldigheid of afdwingbaarheid ervan.

2.

Een scholingsbeding is een beding/overeenkomst waarbij de werknemer die gedurende de uitvoering van zijn/haar arbeidsovereenkomst een vorming volgt op kosten van de werkgever, zich ertoe verbindt om aan deze laatste een gedeelte van de vormingskosten terug te betalen indien hij/zij de onderneming verlaat voor het einde van de overeengekomen periode.

3.

Artikel 22 bis § 2 stelt dat "op straffe van nietigheid" het scholingsbeding schriftelijk moet worden vastgesteld voor elke werknemer afzonderlijk, ten laatste op het moment waarop de door het betrokken beding beoogde vorming een aanvang neemt. Het kan enkel worden bepaald in het kader van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur.

4.

In de voormelde casus werd de overeenkomst pas afgesloten nadat de betrokken vorming reeds was aangevat en zelfs was beëindigd. De overeenkomst/het scholingsbeding is dus nietig.

5.

Artikel 22 bis § 3 stelt bovendien dat elke geschrift/elk scholingsbeding een aantal verplichte vermeldingen moet bevatten, zoals:

 

  • de omschrijving van de vorming, de duur ervan en de plaats waar de vorming zal doorgaan; ook hieraan werd in de casus niet voldaan;
  • de kost ervan, of minstens de kostenelementen die toelaten om de waarde van de beoogde vorming te kunnen inschatten; in de betrokken casus werd het bedrag van de opleiding vermeld; maar ook de eventuele verplaatsingskosten of verblijfskosten verbonden aan de vorming moeten worden gepreciseerd; dit was in de betrokken casus niet het geval;
  • de begindatum en de geldingsduur van het scholingsbeding; ook hieraan werd niet voldaan in de betrokken casus;
  • het terug te betalen bedrag van een gedeelte van de scholingskosten dat ten laste wordt genomen door de werkgever, waarvoor de werknemer zich ertoe verbindt dit te betalen na de afloop van de vorming, degressief uitgedrukt in functie van de geldingsduur van het scholingsbeding; ook hieraan werd niet voldaan in de betrokken casus.

 

6.

Het scholingsbeding is verder nog onderworpen aan bijkomende bestaansvoorwaarden of geldigheidsvoorwaarden.

Enkele voorwaarden:

 

  • een bepaalde jaarloongrens mag niet worden overschreden (het jaarloon van de betrokken werknemer);
  • beperkingen naargelang de omvang van de vormingsduur (al dan niet meer dan 80 uren of een waarde gelijk aan het dubbel van het gemiddeld minimum maandinkomen...);
  • de geldingsduur van het scholingsbeding mag maximaal drie jaren bedragen, en moet worden vastgesteld rekening houdend met de kost en de duur van de vorming. Artikel 22 bis § 5 specifieert het percentage van de vormingskost gekoppeld aan het moment van vertrek van de werknemer, en preciseert dat in elk geval het terug te betalen bedrag nooit meer dan 30 % kan bedragen van het jaarlijks loon van de werknemer.

 

In de betrokken casus werd de maximumduur van drie jaren overschreden.

7.

Het strenge karakter van de wettelijke bepalingen m.b.t. een scholingsbeding wordt nog versterkt door bijkomende voorwaarden, gekoppeld aan het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst een einde neemt, of de redenen/de oorzaken die aan de basis liggen van deze beëindiging. Ook wordt voorzien in mogelijke specifieke bepalingen opgenomen in een algemeen verbindend verklaarde CAO, afgesloten in het bevoegde paritair comité.

Conclusie

In de betrokken casus moesten meerdere inbreuken worden vastgesteld op de strenge wettelijke voorwaarden. Bijgevolg kon het scholingsbeding niet nuttig worden ingeroepen door de werkgever. De werknemer ontsnapte aan de terugbetalingsverplichting. De redactie en ondertekening (o.a. laattijdig) van een geschreven overeenkomst was dus vergeefse moeite.

Wordt begrijpelijk veel aandacht besteed aan vorming of opleiding van werknemers, dan moet de werkgever die daartoe inspanningen levert, en die zich via een scholingsbeding enigszins wil behoeden voor een volledig of gedeeltelijk nutteloze investering, bijzondere aandacht besteden aan de verschillende voorwaarden vervat in het artikel 22 bis van de wet op de arbeidsovereenkomsten.

Carlier Piet, advocaat
Ann-Sophie Bulen, advocaat